Categorieën
Actueel Media

Mezza

Geen ouders, geen kinderen

Haar ouders kwamen om bij de vliegramp in Tripoli en de kans is groot dat ze nooit moeder zal worden. MARIEKE POELMANN (34) zoekt in Een eiland in de tijd naar de betekenis van het leven zonder ouders, zonder kinderen.Het ergst denkbare is al eerder gebeurd, waarom zou dit wel goedkomen?’

Er staat een lege wieg op zolder. Veilig verborgen achter een houten schot dat ik af en toe een stukje opzijschuif. Ik kijk voorzichtig, beschaamd. Als je iets te graag wil, krijg je het niet. En als je iets niet wil, belandt het op zolder.
‘Weet je zeker dat je ’m niet wilt hebben?’ vroeg mijn moeder. Ze keek me indringend aan. Mijn ouders gingen verhuizen. Weg uit het huis waar ik opgroeide, op naar het huis waar ze oud hadden moeten worden. Ik was negentien en stond op het punt voor een jaar naar Parijs te vertrekken. 

‘Jullie hebben er alle drie in gelegen,’ zei ze veelbetekenend. Ik knikte en wierp een blik op het gevlochten bamboe, de witte stof met kleine blauwe bloemetjes. Het idee van een baby was nog te ver weg om iets bij de wieg te voelen, anders dan een lichte afkeur voor de jarentachtig-esthetiek.
‘Ik weet het niet,’ zei ik naar waarheid. ‘Kun je ’m niet op Marktplaats zetten?’ 
Ze deed het niet. Het voelt als een dooddoener om te zeggen dat ik haar daar dankbaar voor ben. Ik had gelukkig geen idee dat ik een paar jaar later mijn beide ouders zou moeten begraven. 

In Parijs kwam ik erachter dat kinderen krijgen niet vanzelf zou gaan. In een statig pand in de wijk Belleville nam ik voor het eerst plaats in de stijgbeugels van een gynaecoloog. Achter een Chesterfield-sofa en een notenhouten bureau stond De Stoel. Ik knipperde kort met mijn ogen. Het voelde misplaatst, luguber bijna. Als een martelwerktuig in een dure woonkamer. 
‘Asseyez-vous,’ zei docteur. Ik nam plaats op een normale stoel aan de andere kant van zijn bureau. Met mijn vwo-Frans en vier maanden Parijs deed ik mijn best om de krampen te beschrijven. 
‘En hoe is uw menstruatie?’ 

Ik haalde mijn schouders op en vertelde dat ik al een halfjaar niet meer ongesteld was geweest. Daarvoor was ik zes jaar lang aan de pil. Hij krabbelde iets op een notitieblok en stond op. Met een joviaal armgebaar nodigde hij me uit in De Stoel. Vertwijfeld keek ik om me heen. Moest ik hier mijn broek laten zakken?
Docteur keek me begripvol aan en leidde me naar een ouderwets kamerscherm van geplooide zijde waarachter ik me om kon kleden. Het had iets potsierlijks, je uitkleden achter een scherm om vervolgens in je blote flamoes door de spreekkamer te stiefelen.

Docteur dimde het licht. Eenmaal in De Stoel keek ik toe hoe hij een flubberend condoom om een dildovormig apparaat schoof. 
Vous avez des cystes, dans les ovaires.’ 
Docteur wees naar het scherm waarop ik voor het eerst een rondleiding kreeg door mijn eigen reproductieve organen. Op links passeren we nu de eierstokken, dus houd uw camera’s gereed. 
Ik keek naar een constellatie van doorzichtige bollen, de drie grootste namen de vorm van Mickey Mouse aan; een grote cirkel met twee net iets kleinere erboven. Docteur zoomde weer uit, er verschenen nog een stuk of vijf rondjes in beeld. 
‘C’est grave?’ vroeg ik licht gealarmeerd. Of het ernstig was. 
‘Pas forcement’ antwoordde Docteur. Niet per se. 
‘U kunt zich weer aankleden,’ sloot hij de tour af. 
Als souvenir kreeg ik een afdruk van Mickey Mouse mee naar huis. De rekening moest ik ter plaatse voldoen, een fooi voor de gids leek me niet nodig. 

De vele, vergrote eitjes in mijn eierstokken bleken op PCOS te duiden: polycysteus-ovariumsyndroom. Bij vrouwen met PCOS groeien er meerdere eiblaasjes in de eierstokken waardoor er vaak geen eisprong plaatsvindt. Voor een eisprong is namelijk één ‘winnaar’ nodig; een eiblaasje dat tot grootste uitgroeit, en bij PCOS is de concurrentie moordend. Letterlijk; het draait je kansen om via de natuurlijke weg een kindje te krijgen grotendeels de nek om. Geen eisprong betekent geen mogelijkheid tot bevruchting. Op twintigjarige leeftijd nam ik het bericht van de Franse arts ter kennisgeving aan. Ik bezocht een Nederlandse gynaecoloog voor een second opinion en kreeg dezelfde diagnose. Mijn ouders reageerden ieder op hun eigen manier op het nieuws. Mijn vader viel stil, mijn moeder compenseerde dat door talloze vragen op mij af te vuren. Even later vond ik haar tussen mijn oude babyspullen, in tranen. Ik troostte haar, maar voelde er zelf weinig bij. Ik had nog geen actieve kinderwens en was ervan overtuigd dat er tegen die tijd wel een oplossing zou zijn.

Dat klopte, er bleek een arsenaal aan medicatie beschikbaar om een eisprong op te wekken. Zwanger worden en blijven, bleek een ander verhaal. Eenmaal gelukkig getrouwd en dertig jaar oud, was er ruimte voor een kind in mijn leven. Na bijna een jaar proberen om op natuurlijke wijze in verwachting te raken, kreeg ik een vroege miskraam. Mijn Amsterdamse gynaecoloog geloofde niet dat ik daadwerkelijk zwanger was geweest, maar stemde desondanks in met het starten van een vruchtbaarheidsbehandeling.
Bij de eerste ronde hormoonpillen voelde het alsof ik eindelijk een eerlijke kans kreeg. Ik was hoopvol, ik had gelezen dat het gebruik van Clomid bij 75 procent van de vrouwen binnen drie maanden tot een zwangerschap leidde. Elke maand bouwde de hoop zich in mij op, om steeds weer te worden afgebroken, synchroon aan het slijmvlies in mijn buik.

Pillen werden spuiten, maanden werden jaren. De pogingen tot bevruchting verplaatsten zich van onze slaapkamer naar verschillende ziekenhuizen om uiteindelijk in het laboratorium te eindigen. Ergens diep in het UMC staan nu mijn laatste beetjes hoop in de ijskast. Een ICSI-behandeling is onze laatste kans op een kind, in de hoop op een dag te kunnen zeggen: je bent verwekt in een laboratorium ver van je vader en moeder, maar geschapen door de wetenschap, in de wetenschap dat je meer dan gewenst bent.  
Soms spreek ik in stilte een ooievaar toe. Ik geef ons adres en kijk toe hoe hij de andere kant op vliegt. Met elke mislukte cyclus, miskraam en negatieve zwangerschapstest neem ik afscheid van een beeld van een kind dat in mijn hoofd en hart al werkelijkheid is. Dat gevoel van verlies lijkt gek genoeg op de rouw om twee ouders die ik daadwerkelijk heb gehad. 

Mijn vader en moeder kwamen niet meer thuis na een vakantie in Zuid-Afrika. Hun vliegtuig stortte op 12 mei 2010 neer in Tripoli, Libië. Door een fout van de piloot, beperkt zicht en een mislukte doorstart, eindigden 103 levens in het woestijnzand naast de landingsbaan. Ik was 22, maar voelde me vier en veertig jaar tegelijkertijd. Nog steeds mis ik de humor en scherpte van mijn vader, zijn grote warme hand om die van mij. Nog altijd kan ik mijn moeders’ pianospel horen, haar vertrouwde geur van dagcrème, parfum en thuis oproepen. Ik mis de plek waar ik altijd naartoe terug mocht keren.

Geen ouders en geen kinderen voelt op slechte momenten alsof ik zweef tussen verleden en verlangen. Beide zijn niet tastbaar genoeg om me aan vast te houden, dus hang ik in het luchtledige. Ik voel me een stuk land dat aan alle kanten afbrokkelt, stuurloos dobberend op open zee. Een eiland in de tijd. Omringd door niets dan water, blijf ik zoeken naar vaste grond om mijn heden en verleden met elkaar te verbinden. De zichtlijn is beperkt en de horizon verschuift. Ik weet niet wat erachter ligt. Ik kijk op dit moment niet verder vooruit dan de volgende cyclus, het komende jaar. 

Ruim vier jaar bevinden mijn man en ik ons nu in de wachtkamer van nieuw leven. Mijn vertrouwen in een goede afloop is door het verlies van mijn ouders beschadigd. Het ergst denkbare is al eens eerder gebeurd, waarom zou dit wel goedkomen? De onzekerheid van het wachten brengt me aan het wankelen; het leven overkomt ons niet meer, en bijna alles staat in het teken van het reiken naar iets dat zich overduidelijk niet laat dwingen. Van loslaten is geen sprake, nog niet althans. Als ik nu opgeef, ben ik bang dat we over tien jaar spijt krijgen. Er zijn immers nog medische mogelijkheden. Toch verlangen we inmiddels bijna meer naar een definitief antwoord dan naar een kind, een duidelijke richting in plaats van stilstand. 

Een fertiliteitstraject beheerst je agenda, je lichaam, je geest en je relaties. Het voelt alsof we de boot missen, terwijl we als eerste aan de kade stonden met een kaartje. Onze vrienden en kennissen gaan een voor een aan boord en verdwijnen soms uit het zicht. Waar je vroeger vanaf school of studie jarenlang samen opliep, lopen de levens nu uiteen. Een gezinsleven is intensief en kinderen vragen de volle aandacht. We begrijpen het, maar missen de aansluiting die we ooit hadden, het gevoel onderdeel uit te maken van een groter geheel, een voorwaartse beweging.  

Toch is er ook veel wel. Ons leven samen, onze liefde voor elkaar. We staan samen op dit eiland en vullen het met alles wat ons gelukkig maakt. We reizen, zoeken de natuur op, zwemmen ’s ochtends in de zee. We dansen met dichte ogen, overladen onze katten met liefde, houden ons vast aan elkaar. Er is ruimte voor onze dromen en verlangens, anders dan die van een klein jongetje of meisje met zijn blik en mijn haar.
Ik schrijf, en daarmee zet ik de werkelijkheid om in een weg vooruit. Door boeken te schrijven, breng ik iets voort dat groter is dan mijzelf. Ooit kreeg ik de opmerking dat het vreemd is dat ik ook kinderboeken schrijf, terwijl ik zelf geen kinderen heb. Het zette me aan het denken. Het schrijven van mijn eerste kinderboek bracht me juist terug naar mezelf, naar het kind dat troost haalt uit de vriendschap met een kat, het kind dat het gelukkigst is als ze verhalen mag delen.

Met het boek dat ik nu heb geschreven, Een eiland in de tijd, hoop ik invoelbaar te maken dat de weg naar het stichten van een gezin niet vanzelfsprekend is. Ik hoop dat vrouwen in vergelijkbare situaties zich gesteund en gezien voelen. Daarom draag ik het boek op hen, aan alle vrouwen die denken dat ze het gewicht van een lege buik alleen moeten dragen. Je bent niet alleen, velen zoals ik staan naast je. 

Dit artikel verscheen in Mezza magazine van zaterdag 12 en zondag 13 maart 2022.

Categorieën
Actueel Media

JAN Magazine

‘M’n eigen hummeltje vasthouden; het is een diep en hardnekkig verlangen’

Door: NIENKE PLEYSIER

Marieke Poelmann (34) zag haar toekomst als moeder zo helder voor zich dat de visioenen soms wel herinneringen leken. Maar een kind krijgen bleek voor haar alles behalve vanzelfsprekend. ‘We zitten al drieënhalf jaar in een fertiliteitstraject. Ik ben moe van het hopen, het wachten, het verlangen. Van een leven dat geen richting neemt.’

Voor mij is het verlangen naar een kind heel basaal; een oergevoel. Als ik denk aan hoe het is om een kindje in mijn buik te dragen, voel ik het in mijn hart. Een klein hummeltje vasthouden, tegen je aanvoelen; het is een diep en hardnekkig verlangen. Wij waren een van de eersten van onze vrienden die stappen zetten om een gezin te starten. In de zomer van 2016 verruilden wij Amsterdam voor een huis aan zee. Dezelfde zomer trouwden we. Van het gemeentehuis in onze nieuwe woonplaats liepen we met alle gasten naar ons nieuwe huis waar we champagne dronken op de toekomst.

Vanaf het moment dat we dit huis kochten, zag ik ook ons kindje voor me. Een jongetje, met de ogen van mijn man en mijn haar. Ik zag voor me hoe hij het paadje naar de voordeur afdribbelde, hoe hij door onze woonkamer waggelde. Scenes zo scherp dat het net herinneringen leken. Inmiddels zijn we door bijna al onze vrienden ingehaald en zo ongeveer het enige stel zonder kinderen. We zijn ruim vier jaar bezig en zitten al drieënhalf jaar in een fertiliteitstraject, we zijn bijna aan het einde van wat we nog willen en kunnen doen. Ik ben ook moe van het hopen, het wachten, het verlangen. Van een leven dat geen richting neemt.

Maar behalve mijn basale verlangen naar een kind, speelt het gemis van mijn ouders ook een rol. In 2010 kwamen zij om het leven toen vlucht 771 van Afriqiyah Airways neerstortte vlak bij de Libische hoofdstad Tripoli. Er zijn nu al momenten dat ik mijn moeder terug hoor in de dingen die ik zeg, maar ik vermoed dat wanneer ik zelf moeder word, ik haar nog meer zal tegenkomen in mijzelf. Ik verlang er naar om door te geven wat ik zelf van mijn ouders heb meegekregen: de muziek van mijn moeder, de taal van mijn vader, hun oneindige vertrouwen en liefde. Maar ik zoek ook naar wat het betekent om op mezelf te staan. Wie ik ben, zonder ouders en zonder kinderen. Alleen en toch verbonden.

In 2020 was het tien jaar geleden dat ik mijn beide ouders verloor. Ze kwamen niet meer thuis van hun eerste grote reis buiten Europa, naar Zuid-Afrika. Het neerstorten van hun vliegtuig was het openingsitem van het journaal. Beelden van de brokstukken, de woestijn. Ineens was ik onderdeel van een nationale ramp. Voor het NRC schreef ik op 12 mei 2020 een stuk ter nagedachtenis aan de ramp en mijn ouders, waarin ik ook een paar alinea’s wijdde aan mijn eigen verlangen om moeder te worden en hoe dat maar niet lukte. Ik beschreef hoe ik mezelf een eiland in de tijd voelde: zonder generatie boven mij en niets onder mij. Naar aanleiding van dat verhaal kreeg ik ontzettend veel reacties. De meeste kwamen van vrouwen met een onvervulde kinderwens. Ook werd ik benaderd door een redacteur van uitgeverij Prometheus. Ze vroeg of ik mijn ervaringen in een boek wilde vangen, net als ik vijf jaar eerder deed naar aanleiding van het verlies van mijn ouders.

Nu, bijna twee jaar later, is dat boek er. Het is mijn rauwe, eerlijke verhaal. En ja, het voelt eng en kwetsbaar om dit de wereld in te sturen maar ik voel me gesteund door alle positieve reacties die ik destijds kreeg op mijn artikel. Vaak treden vrouwen pas naar buiten met hun vruchtbaarheidsproblematiek als het uiteindelijk toch is gelukt, of als ze echt vrede hebben met het gegeven dat het moederschap niet voor hen is weggelegd. Ik zit er nog midden in en ik vertel mijn verhaal nu al. Omdat dit voor mij de rauwe kern is van fertiliteitsproblematiek: het niet weten welke kant je leven opgaat. Het in de wachtstand staan. Bij alle keuzes die je maakt, je weer af te vragen, maar wat als ik dan zwanger ben? Ik ben het zo zat om die vraag in mijn hoofd te horen. Er is ook een hoop schaamte rondom het onderwerp. Het voelt voor veel vrouwen toch als falen wanneer het niet lukt om zwanger te worden. Alsof er iets mis met je is. Waartoe ben je op aarde? Om je voort te planten, wat als je daartoe niet in staat bent?

Het zou misschien makkelijker zijn om mijn verhaal te delen als we al wisten hoe het zou eindigen; met of zonder kinderen. Maar in dat niet weten, zit dus precies de pijn. Laat mij dat dan maar verwoorden. Ik heb dat destijds ook gedaan met het boek over het verlies van mijn ouders. Het voelde toen ook goed om mijn verdriet te kanaliseren, om iets te creëren, opdat het allemaal niet voor niks is geweest. Zo voelt het nu ook. Door mijn verhaal te delen, kan ik er tenminste iets mee doen en lijkt het wachten minder zinloos.

Mijn cyclus is altijd heel onregelmatig geweest; soms zitten er vijfendertig maar meestal vijfenveertig dagen tussen mijn menstruaties. Toen ik begin twintig was viel voor het eerst de naam PCOS, het syndroom waar ik aan zou lijden. PCOS staat voor polycysteus-ovariumsyndroom. Het belangrijkste kenmerk is dat er meer en vaak grotere eiblaasjes dan normaal in de eierstokken groeien. Deze blaasjes zijn met zovelen dat er geen duidelijke ‘winnaar’ naar voren komt, waardoor er meestal geen eisprong is. Mij werd destijds geadviseerd om de pil te gaan slikken om mijn cyclus te reguleren. En zodra ik een kinderwens zou hebben, konden we kijken naar ‘behandelmethodes’. Want de kans was groot dat ik moeilijk zwanger zou worden. En dat bleek dus ook zo te zijn.

Inmiddels hebben we er drieënhalf jaar van vruchtbaarheidsbehandelingen opzitten en is voor ons het einde van het traject in zicht. Na talloze hormoonbehandelingen die een eisprong moeten opwekken, na IUI, een behandeling waarbij zaadcellen ingebracht worden rondom de eisprong, na twee miskramen, hebben we nu de laatste stap genomen die we willen en kunnen nemen: ICSI; een uitgebreide vorm van IVF, waarbij de zaadcel in de eicel wordt gebracht en het embryo wordt teruggeplaatst. Voor deze behandeling worden er via een punctie eitjes geoogst; het liefst zo veel mogelijk.

Ter voorbereiding moest ik in 8 dagen tijd 14 hormooninjecties in mijn buik zetten. Bij de laatste injectie verloor ik het bewustzijn; mijn lichaam was op en dit was het zwaarste traject tot nu toe. Normaal gesproken heeft een vrouw iedere maand 1 eitje dat groot groeit; ik had er 27. Mijn buik was zo bol en opgezet en mijn lichaam voelde als een fabriek, waarmee ik de connectie kwijt was geraakt. Ik durf al lang niet meer op mijn lijf te vertrouwen. Er liggen op dit moment zes embryo’s in de vriezer van het UMC te wachten tot de eerste teruggeplaatst kan worden. We hebben nu tegen elkaar gezegd: als deze zes niet tot een kindje leiden, dan stoppen we. 

Het is voor mijn man leidend hoe ik erin sta. Een gezin was ook altijd onderdeel van zijn toekomstbeeld, maar zijn wens om een kind te krijgen is toch anders dan die van mij. Het is minder basaal, minder lichamelijk ook. Voor hem zal het daarom misschien ook anders zijn om het straks wellicht los te moeten laten. Maar natuurlijk ben ik bang geweest dat hij mij ooit zou verlaten om het uitblijven van een kindje. Het leek mij belangrijk, maar ook doodeng, om hem die vraag ook daadwerkelijk te stellen. Tijdens onze vakantie op het Griekse eiland waar hij mij een paar jaar eerder ten huwelijk had gevraagd, vroeg ik het: ‘Heb je de afweging gemaakt of je ook de rest van je leven bij me wilt blijven als ik je geen kinderen kan geven?’  Ook al wist ik diep van binnen wel wat zijn antwoord zou zijn, toch klopte mijn hart in mijn keel. Maar voor Joost bestond er geen twijfel: zijn wens om een gezin te stichten is kleiner dan zijn wens om met mij te zijn. En inmiddels zijn we wel klaar om, mocht de ICSI op niets uitlopen, de controle over ons leven weer terug te pakken. Ik zeg weleens dat ik nu bijna meer verlang naar een definitief antwoord, een ja, of een nee, dan naar een kindje zelf. Dat klinkt misschien gek, maar de onzekerheid is slopend. En tegelijkertijd weet ik ook dat een definitief ‘nee’, ook weer een heel rouwproces met zich mee zal brengen. En dat ik dan echt afscheid moet gaan nemen van het beeld van ons als gezin.

Op zolder staat de wieg die mijn moeder voor mij bewaarde. De wieg waarin ik heb gelegen en later mijn kindje zou liggen. In die wieg ligt ook een pakje, ik bewaar het daar al jaren. Het pakketje is ongeopend, al sinds het tien jaar geleden op de mat viel. De inhoud vormt een schakel tussen mijn moeder en de moeder in mij. Ik kreeg het van de choreografe van de opera- en operettevereniging waar mijn moeder pianiste was. ‘Dit pakje kocht jouw moeder voor mij toen mijn zoon werd geboren. Ik geef het aan jou zodat wanneer jij moeder wordt, je iets hebt dat jouw moeder heeft uitgezocht.’ De tape waarmee het doosje dicht zit, begint aan de randen al te vergelen. Mijn intentie het niet te openen begon romantisch. Ik wilde het bewaren, het beschouwen als een cadeau uit het hiernamaals aan de toekomst. Nu weet ik niet wanneer ik het zal openen. Of ik het ooit zal openen.

In mijn boek schrijf ik brieven aan ons kind. Op die plek, in die vorm, durfde ik het. Maar in het echt, in het hier en nu, kan ik het me niet permitteren om die gevoelens er constant te laten zijn. Dat voelt simpelweg te kwetsbaar en ik sta het mezelf daarom niet toe om teveel hoop te hebben. Zo is er bij ICSI per terugplaatsing 25 tot 35 procent kans dat het tot een kindje leidt. Dat is best veel maar toch focus ik uit zelfbescherming meer op de kans dat het niet lukt. 

Eén keer, in de zomer van 2020, toen mijn zwangerschapstest positief was en ik kortstondig zwanger was, heb ik al mijn gevoelens wel helemaal toegelaten; de blijdschap, het verheugen, het fantaseren. Ik kon het ook niet laten om het te delen met mijn vriendinnen. Het voelt alsof ik daar toen keihard voor ben afgestraft; ik had niet mogen denken dat het goed zou gaan, want na een week ging het toch mis. Die giftige, zwarte gedachten hebben denk ik te maken met het feit dat ik mijn ouders op zo’n bizarre manier ben verloren. Daardoor heeft mijn vertrouwen in het leven en dat het wel goed komt, een enorme deuk opgelopen. Het voelt voor mij veiliger om uit te gaan van het ergst denkbare scenario. 

En aan de andere kant voel ik ook enorme levenskracht, een diepe drijfveer om er, hoe dan ook, iets moois van te maken. En weiger ik te accepteren dat mijn leven een opeenstapeling is van narigheid. Er is namelijk ook zoveel wel. Het ligt op de loer dat je verlangen naar iets wat er nog niet is, iets heel kostbaars wat er wel is, ten gronde richt. En dat zal ik nooit laten gebeuren. Want ik weet ook dat mijn man en ik samen een bijzonder en betekenisvol leven kunnen hebben als het ons niet gegeven is om een kindje te krijgen. Ondanks alles kan ik ’s ochtends wakker worden, hem in zijn ogen kijken en het gevoel hebben dat ik de loterij heb gewonnen.

In corona-tijd hebben we de gewoonte ontwikkeld om iedere ochtend het strand op te gaan, daar oefeningen doen en vervolgens de golven in te duiken. Wij samen, gedragen door het water. Op die momenten wordt het gevoel om samen op een eiland te staan, juist iets moois en bijzonders. We hebben net een bus gekocht, die we om aan het bouwen zijn tot camper. Daar willen we graag de wereld mee in, nog meer reizen, nog meer ontdekken. Enerzijds lonkt de wereld dus, anderzijds is het thuis ook goed. We hebben twee katten en een fijn huis dat we volledig hebben verbouwd naar onze wensen. Soms zitten we tegenover elkaar op de bank, de katten tussen ons in, en voelt het niets minder dan compleet.’

Dit artikel verscheen in JAN Magazine 4, april 2022.

Categorieën
Actueel Media

FLAIR

‘Ergens is er licht en daar wil ik naartoe’

Door: JADRIKE BOELS

Wat als er geen generatie meer voor je is en geen generatie meer na je komt? Marieke (33) verloor haar ouders bij de vliegramp in Tripoli in 2010 en worstelt nu met ongewilde kinderloosheid. “Het is alsof ik zwevend in het leven hang omdat ik aan beide kanten een anker mis.”

“Marieke, er is een vliegtuig neergestort in Tripoli. Ik denk dat papa en mama erin zaten.” Deze zin veranderde mijn leven voorgoed. Mijn wortels, mijn thuis; alles was in één klap weg. Ik was tweeëntwintig en te jong om echt op eigen benen te staan. Ja, ik had al in Parijs gewoond voor mijn zangstudie en woonde inmiddels op mezelf in Amsterdam, maar ik was er nog lang niet.

Ik had mijn ouders nog nodig om mij door het leven te gidsen. Ik had mijn moeder nodig die zich over mij ontfermde alsof ik nog steeds haar kleine meisje was, die mijn lievelingseten kookte en mijn was deed. Mijn vader die trots met mij de stad in ging of samen met mij een taart bakte. Ik had hun wijze woorden nodig. Hun humor. Hun liefde. Het was te vroeg. De manier waarop te zwaar. De vanzelfsprekendheid en zorgeloosheid die nog over waren na mijn jeugd, waren in één klap weg. Mijn vertrouwen in een happy end verdween.

Ik keek altijd enorm op tegen mijn ouders. Mijn moeder was mijn eigen Mary Poppins. Ze was knuffelig, speels en zong graag liedjes met me. Ze was ferm, maar altijd liefdevol. Zo’n moeder wil ik ook worden als ik later groot ben, dacht ik altijd. Want dat ik moeder wilde worden, heb ik altijd geweten. Niet omdat ik graag met poppen speelde, of droomde over het zorgen voor een baby, maar omdat ik het diep vanbinnen voelde. Mijn moeder benadrukte altijd hoe leuk ze het vond om moeder te zijn en ik vond het vanzelfsprekend dat dit later ook mijn pad zou worden. Maar na 12 mei 2010, de dag waarop het vliegtuig waar mijn ouders in zaten neerstortte, was niks meer vanzelfsprekend.

Samen met mijn ouders, werd mijn optimisme uit mijn leven weggerukt. Door hun dood leerde ik dat het áltijd erger kan, dat je maar beter van het slechtste kunt uitgaan, want waarom zou ongeluk jou bespaard blijven? Een heel giftige gedachte die nu, bijna twaalf jaar later, nog steeds impact heeft. Ook op mijn grote wens: moeder worden.

Ik had al vroeg kunnen weten dat het krijgen van kinderen een uitdaging zou worden. Mijn cyclus was vanaf het begin onregelmatig. Soms was ik weken niet ongesteld om daarna juist weken achter elkaar te bloeden. Zorgen maakte ik me niet. Ik was twaalf en vond het boven alles supergênant. Helaas ontging mijn moeder niks.‘Ben je nou al weer ongesteld?’ Tot mijn grote irritatie zat ze er bovenop.

Ik probeerde het zo lang mogelijk weg te wuiven, maar toen ik op mijn veertiende zulke hevige bloedingen kreeg dat ik niet meer naar school kon, moest ik van mijn moeder naar de dokter. Het was mijn ergste nachtmerrie als puber: met een mannelijke arts praten over mijn ongesteldheid, ik vond het verschrikkelijk. Net als de oplossing: de anticonceptiepil als een soort hormoonkanon dat alles onderdrukte.

Ik schaamde me enorm, wat nou als mensen dachten dat ik al seks had? Ik hield het angstvallig stil en liet mijn moeder beloven dat ze het aan niemand zou vertellen, ook niet aan mijn vader. Het wende snel. De symptomen verdwenen, ik hoefde geen matras meer in mijn onderbroek te dragen en toen ik een vriendje kreeg, hoefde ik mijn zeer betrokken moeder niet te vragen of ik aan de pil mocht.

Toen het op mijn twintigste uitging met mijn eerste vriendje en ik verhuisde naar Parijs voor mijn studie, besloot ik met de pil te stoppen. Gewoon, om te kijken wat mijn lichaam zou doen. Nadat ik vanuit het niks flauwviel tijdens de les, kwam aan het licht dat ik PCOS had. Een syndroom waarbij er vochtblaasjes in de eierstokken groeien die een regelmatige eisprong verhinderen.‘Als je aan de pil gaat, heb je nergens last van. Kom maar terug als je kinderen wilt,’ was de boodschap van de gynaecoloog. Ik vroeg geschrokken of ik onvruchtbaar was. Het zou moeilijker kunnen gaan, maar dat konden we tegen die tijd wel bekijken, was het antwoord. En voor ik het wist, stond ik weer buiten. Ik haalde mijn schouders op. Als ik over jaren kinderen wilde, zou er vast een oplossing zijn.

Mijn moeder was daarentegen aangeslagen. Ze nam me thuis mee naar zolder en liet me geëmotioneerd mijn oude babykleren en wiegje zien. Ik voelde me opgelaten door haar emoties, want ik voelde er niks bij. Ik had geen relatie, ik had geen plannen, ik woonde in Parijs; ik had geen ruimte in mijn hoofd voor zorgen over kinderen. Daarbij wist ik het zeker: op een gegeven moment zou ik gewoon moeder worden. Mama probeerde mijn oude wiegje nog aan me te slijten, maar ik wilde er niks van weten. ‘Zet ’m maar op Marktplaats,’ zei ik. Maar ze luisterde niet en bewaarde het. Voor als de tijd rijp was.”

Kus op mijn voorhoofd

“Twee jaar na het overlijden van mijn ouders ontmoette ik de liefde van mijn leven. ‘Ik ga een man voor je vinden vanavond,’ zei mijn vriendin zelfverzekerd aan het begin van een stapavond. We namen in een bar in Amsterdam een strategische positie in ten opzichte van de deur en bestudeerden elke man die binnenwandelde. En daar was hij. Een megaknappe man met donker haar, bergschoenen en een bodywarmer aan. Hij nam nonchalant plaats op de leuning van een bank aan de andere kant van de ruimte en ik kon mijn ogen niet van hem afhouden.

Normaal stapte ik zelf op mannen af, maar ik had deze avond met mezelf afgesproken dat een man op mij af moest komen.Voor mijn gevoel heb ik twee uur naar hem gestaard. Net toen ik het wilde opgeven, tikte hij me op mijn schouder. We hebben uren gepraat, waarna hij afscheid nam met een kus op mijn voorhoofd. Toen ik over de grachten naar huis fietste, dacht ik: wat als dit mijn man is? Maar ik wuifde de gedachte weg: mijn leven was geen romantische film. Achteraf bleek mijn gevoel toch te kloppen.

We zijn inmiddels ruim vijf jaar getrouwd. En hij gaf mij het vertrouwen in het leven terug. We zijn bijna symbiotisch. We hebben een vergelijkbare jeugd gehad en we verstaan elkaar. Hij ziet mij, ik zie hem. En die kinderwens had hij ook. Daarom besloten we na een aantal jaar ons bruisende stadsleven in Amsterdam in te ruilen voor een huis aan zee. Een familiehuis met vier slaapkamers en een tuin. Zorgen over PCOS maakte ik me niet. Voor het eerst in jaren voelde ik me in balans. Ik had ontdekt wie ik was, had een duidelijk beeld van wat ik met mijn leven wilde en was ervan overtuigd dat met mijn man aan mijn zijde alles goed zou komen.‘Ik weet het zeker, wij krijgen gewoon een kind,’ zei hij vaak zelfverzekerd. Het werkte aanstekelijk. Ik was uitzonderlijk optimistisch en voelde een oerverlangen een kindje in mijn buik te dragen.

Na zo’n negen maanden proberen wist ik het zeker: ik was zwanger. Mijn borsten voelden alsof ze op knappen stonden, de tranen rolden al over mijn wangen als ik de stekker niet in het stopcontact kreeg en geuren kwamen hard binnen. Het waren de klassieke tekenen. Na twee weken stortte ik in door felle pijnscheuten in mijn onderbuik. Mijn man hielp me omhoog waarna ik een golf vanuit mijn baarmoeder voelde opzetten. Ik rende naar de wc en verwijderde de menstruatiecup die ik die ochtend voor de zekerheid in had gedaan. Hij zat tot de rand vol met donkerrood bloed. Aan de oppervlakte dreef een soort zakje met een aderige structuur. Zie je nou wel, dacht ik. Ik was zwanger. Die gedachte veranderde heel gauw in de realisatie dat het nu dus alweer voorbij was.

Het was zo overweldigend en snel dat ik het niet kon bevatten. Mijn man probeerde er een positieve draai aan te geven: ‘Het goede nieuws is dat je zwanger kunt worden.’ Maar ik voelde heel diep vanbinnen dat dit geen makkelijke route ging worden. De donkere gedachten die na het overlijden van mijn ouders hun intrede deden in mijn leven, staken weer de kop op. Zie je nou wel, ook dit gaat mis, zei een stemmetje. Ik probeerde de stem weg te drukken en positief te blijven, maar wanneer je drie keer in de week met je benen wijd in het ziekenhuis ligt, raak je die positiviteit snel kwijt.

De miskraam was het begin van de medische molen waar ik nu al vier jaar in zit. Het begon met clomifeen, hormoonmedicatie die de eisprong in gang moest zetten. De dosis ging stapsgewijs omhoog totdat bij mij de stoppen doorsloegen. Ik had een kort lontje en raakte de grip op mijn emoties en gedachten soms zo kwijt dat ik mezelf of mijn man iets wilde aandoen. Hij trapte op de rem. Ja, we wilden graag kinderen, maar het moest niet ten koste gaan van alles. Van ons. ‘Er zijn grenzen,’ zei hij streng. Ik was het met hem eens, ik raakte mezelf compleet kwijt door die pillen.

We stapten over op medicatie met minder bijwerkingen. Nadeel dit keer: we moesten getimed met elkaar naar bed. Ik kreeg een echo waarna ik hoorde dat mijn eicel op springen stond en wij aan de bak moesten. Opnieuw trapte mijn man na een aantal maanden op de rem. Hij vond dat we op deze manier alles wat fijn was aan seks met elkaar eruit ramden. Hij was ervan overtuigd dat dit iets onherstelbaar kapot zou maken. Ik vond het superfrustrerend. Mijn eicel was er klaar voor, waarom wilde hij niet? Ik was hypergefocust, geobsedeerd bijna. Maar mijn man hield voet bij stuk en uiteindelijk zag ik in dat hij gelijk had: we moesten het fertiliteitstraject uit de slaapkamer halen.

Inseminatie was de volgende stap. Ik moest dagelijks hormooninjecties in mijn onderbuik zetten voor de optimalisatie van mijn eicellen. ‘De productie’ van mijn man, zoals ze dat zo mooi noemen, werd vervolgens tijdens mijn ovulatie met een slangetje in mijn baarmoeder gespoten. Na vijf vermoeiende rondes zonder resultaat, brak corona uit. We waren inmiddels ruim twee jaar bezig en ik was op, fysiek en mentaal. Het voelde alsof iedereen om me heen inmiddels moeder óf zwanger was. Vriendinnen, buren, collega’s, willekeurige mensen op straat; als je de dertig gepasseerd bent regent het opeens baby’s. Iedereen begint aan een gezin, zoals wij ook hadden gepland. Bij de eerste zwangerschapsaankondigingen was ik nog heel enthousiast en geïnteresseerd. Ik stelde volop vragen, met het idee dat ik als volgende aan de beurt was. Maar hoe langer mijn traject duurde, hoe meer elke zwangerschapsaankondiging aanvoelde als het opvangen van een kogel.

Vrienden hadden steeds minder tijd en als we wel samen waren, ging een groot deel van de aandacht naar hun kleintjes. Dat begrijp ik, en ik gun het iedereen, maar ik gun het ons ook. Het voelt ontzettend eenzaam en oneerlijk dat het ons niet gegeven is. Alsof ik de boot heb gemist, terwijl ik als eerste op de kade stond met een kaartje in mijn hand. Iedereen om me heen gaat aan boord, met of zonder kaartje, sommigen springen er gewoon op, sommigen zijn zelfs verrast dat ze op de boot staan, maar ik sta vast op de kade met mijn goede gedrag. We maken geen onderdeel uit van de grote stroom voorwaarts.

We zijn inmiddels vier jaar bezig en elke dag voel ik mijn toekomstbeeld als moeder verder door mijn vingers glippen. De gedachte dat er geen generatie meer vóór mij is en er geen generatie na mij komt, beangstigt me op een fundamenteel niveau. Alsof ik zwevend in het leven hang omdat ik aan beide kanten een anker mis. Ik denk dat het de komende jaren een grote levenstaak wordt om niet aan dit eenzame gevoel ten onder te gaan, maar koste wat het kost in het reine te komen met het idee dat er misschien definitief geen kinderen komen. De angst dat het niet lukt, wordt versterkt door het verlies van mijn ouders. Tegelijkertijd zijn zij degenen die me hebben geleerd nooit op te geven. Ergens is er licht en daar wil ik naartoe.”

Paralympics van de conceptie

“Na een geforceerde stop door corona zijn we afgelopen oktober begonnen aan de laatst mogelijke stap in het fertiliteitstraject: ICSI. Ik noem het de absolute paralympics van de conceptie. Door veertien injecties in mijn buik te zetten in acht dagen moesten er zo veel mogelijk follikels in mijn eierstokken groeien, die vervolgens operatief zijn geoogst en bevrucht in een laboratorium. De embryo’s die daaruit zijn ontstaan, worden teruggeplaatst in mijn baarmoeder en dan is het afwachten. Door de PCOS ontstond bij mij tijdens het proces overstimulatie. Ik was letterlijk een eierfabriek. Mijn buik was keihard en stond bol. Het was zo zwaar voor mijn lijf dat ik bij de laatste injectie mijn bewustzijn verloor. Ik voelde aan alles dat dit niet is zoals de natuur het heeft bedoeld. Ook mijn emoties en gedachten schoten weer alle kanten op door de hormonen.

Het riep de vraag op: waar trekken we de grens? We willen niet over tien jaar wakker worden en denken: hadden we toch nog maar één poging gewaagd, maar we willen ook niet langer ons leven laten beheersen door onze kinderwens. Voor nu hebben we besloten dat het boek dichtgaat als deze behandeling niet leidt tot een zwangerschap. Maar voor een afscheid van het beeld van het leven dat ik al had als kind, is het te vroeg.

Er liggen momenteel zes embryo’s in een vriezer in het ziekenhuis in Utrecht op ons te wachten. Ik hoop met heel mijn hart dat het ons gegund is, maar het is heel moeilijk in een goede uitkomst te geloven na zo veel teleurstelling. Het oude wiegje dat ik van mijn moeder heb gekregen staat al jaren op zolder. De leegte weegt steeds zwaarder. Het confronteert me met het oerverlangen dat ik als kind al voelde om moeder te zijn, met de liefde van mijn ouders die ik zo graag aan ons kind wilde doorgeven. Maar ik verlang inmiddels vooral naar een uitkomst. Welke dan ook. Dan wordt het tijd voor plan B. Een plan dat ik weiger te zien als een rampscenario.

Ondanks dat ik nog geen berusting heb gevonden in een leven zonder kinderen, heb ik diep vertrouwen in het samenzijn van mijn man en mij. Ik geloof in onze liefde en dat we samen een rijk leven kunnen creëren. Ook zonder een kind. Een leven waarin we juist de dingen doen die met een gezin minder makkelijk zijn. De wereld ontdekken met ons camperbusje dat we ombouwen, spontane tripjes naar verre bestemmingen, fietsvakanties, online werken on the road.

Niks van dit zal het verdriet van het lege wiegje wegnemen, maar we moeten door. Als ik iets heb geleerd, is het dat er zelfs na het zwaarste verdriet een weg vooruit is. Wat het voor mij betekent om te bestaan zonder aftakkingen, zal een levensvraag blijven. Een vraag waarop het antwoord hopelijk gaandeweg vorm krijgt met mijn grote liefde aan mijn zijde.”

Je bent niet alleen

Marieke Poelmann: “Ik weet dat ik niet alleen ben in mijn verdriet. Veel vrouwen lijden in stilte vanwege hun ongewilde kinderloosheid. Ik zie het als mijn missie die stilte te doorbreken met mijn boek Een eiland in de tijd. Voor iedere vrouw die denkt dat ze het gewicht van een lege buik alleen moet dragen.

Dit artikel verscheen in FLAIR 8, 23 februari t/m 1 maart 2022.

Categorieën
Actueel Media

Haarlems Dagblad

Aliens in knuffelbare verpakking

Door: GUUSJE TROMP

Op vijfjarige leeftijd schreef journalist en tekstschrijver Marieke Poelmann al een boekje over katten, mét zelfgemaakte poezentekeningen. Vanaf haar zesde zeurde ze om een poes uit het asiel. En nu, twintig jaar later, is er ’Ava en het gesponnen poezenweb’, een kinderboek over een meisje dat, net als Marieke, dol is op katten. 

Marieke woont sinds een paar jaar aan zee. Het liefst gaat ze elke dag even naar het strand. Ook vanuit haar werkkamer op zolder heeft ze uitzicht op de golven. Het is op deze plek dat de tienjarige Ava het levenslicht zag, al zat ze al jaren eerder in Mariekes hoofd. „Ik schrijf en hou van katten. Het liefst combineer ik dat. Bijvoorbeeld door te schrijven over mijn tijd als kattenoppas in Parijs. En met Ava komt mijn droom van het schrijven van boek over poezen uit.” 

Maar eerst moest er een ander boek geschreven worden. Een boek dat helaas geen fictie is. Op 12 mei 2010 komen de ouders van Marieke om het leven bij de vliegramp in Tripoli. Ze waren onderweg naar huis na een vakantie in Zuid-Afrika. Marieke is op dat moment 22 jaar oud. Vijf jaar later beschreef ze haar verlies in haar boek ’Alles om jullie heen is er nog’. 

Waar haar debuut autobiografisch was, is haar kinderboek slechts losjes gebaseerd op haar eigen leven. Marieke is, net als de jonge Ava, al haar hele leven gek op katten. Maar terwijl Marieke daadwerkelijk katten heeft, mag Ava er geen omdat haar moeder allergisch is. Daarom kijkt het meisje alle kattenfilmpjes die er op internet te vinden zijn. 

Op een ochtend onderweg naar school kruist een bijzondere rode kater haar pad. Ava voelt direct een band met hem, hij lijkt haar zelfs te begrijpen! Ze noemt hem Scratch. Als hij naar het asiel wordt gebracht, is Ava daar niet meer weg te slaan. Maar Ava ontdekt dat de katten groot gevaar lopen in het asiel. En dat ze nog veel slimmer zijn dan ze al dacht: katten hebben het internet uitgevonden en noemen dat het Poezenweb. 

Waarom kattenfilmpjes het op internet zoveel beter doen dan hondenfilmpjes? „Katten zijn aliens in een knuffelbare verpakking. Ze zijn zo heerlijk raar en maken gekke sprongen. Het zijn maffe dieren en tegelijkertijd zijn ze ontzettend schattig. Katten hebben ook vrij gelaagde persoonlijkheden, terwijl honden wat eendimensionaler zijn; die willen vooral hun baasjes pleasen.” 

Vorig jaar augustus tekende Marieke haar auteurscontract bij Kluitman. „Het proces duurde in totaal een jaar, maar het echte schrijven gebeurde in een tijdspanne van vier maanden. Mijn hoofd is als een soort snelkookpan: in een keer moet het eruit.” 

Qua vormgeving wilde Marieke het gevoel van een klassiek sprookjesboek in de moderne tijd. „Met sierlijke letters en tekeningen. Illustratrice Sophie Pluim begreep me helemaal en maakte het zelfs nog mooier dan ik me kon voorstellen.” 

Inspiratie voor het boek kon Marieke dichtbij huis halen. In haar achtertuin scharrelt haar elfjarige asielkat Lola, een Europese korthaar. „Voorheen woonden we in Amsterdam. Lola is dus van een flatkat een zeepoes geworden. Ze vindt het hier heerlijk.” En geef haar eens ongelijk: ze heeft nu een heel koninkrijk.
Een koninkrijk dat ze sinds een aantal weken deelt met Maui, een vrolijke halve Bengaal/halve Europese korthaar die gek is op aaien, maar zich niet graag laat optillen. De twee hebben uitgebreid kennismakingsritueel achter de rug, waarbij ze elkaar eerst roken en zagen. „Het gaat best goed, Lola bromt nog wel maar ze vliegen elkaar niet in de haren. Ze zijn vooral nieuwsgierig naar elkaar.” 

Waar Lola op haar privacy is gesteld, heeft Maui inmiddels een grote schare internetfans. Op het Instagramaccount @mauithebeachbengal zien meer dan duizend volgers Maui als een heus fotomodel poseren, naar buiten staren, gapen en slapen. En deze week mocht ze voor het eerst buiten spelen. 

Niet verwonderlijk dat het eerste exemplaar van het boek werd uitgereikt aan een andere ’catfluencer’: reisjournalist Liesbeth Rasker, huisgenoot van de bekende Instagrampoes Disco. „Dat vond ik zo’n leuke kattennaam dat ik een van de katten uit mijn boek ook Disco heb genoemd.” 

Het boek van Marieke eindigt met een boodschap. „Achterin doe ik een oproep aan kinderen die graag een kat willen. Adopteer er dan eentje uit een asiel, daar zitten er genoeg die op een fijn leven hopen.” 

Ava en het gesponnen poezenweb is bedoeld voor kinderen vanaf tien jaar. „Ava is een stoer meisje, dus het spreekt ook jongens aan.” En of het verhaal van Ava nu klaar is? Marieke hoopt van niet. „Ik hoop hier een serie van te kunnen maken en heb nog genoeg inspiratie voor deel twee en drie.” 

Dit artikel verscheen in het Haarlems Dagblad van 14 juli 2020.

Categorieën
Actueel Media

Tijd voor Max

Waarom zijn katten de populairste dieren van het internet? Marieke Poelmann is schrijver, journalist en professioneel kattenliefhebber. Aan de hand van haar pas verschenen kinderboek ‘Ava en het gesponnen poezenweb’ legt zij uit hoe dat precies zit.

Bekijk hier de uitzending.

Categorieën
Actueel Media

Met het Oog op Morgen

12 mei 2010. Die datum beheerst het leven van Marieke Poelmann. Op die dag verongelukte Vlucht 771 van Afriqiyah Airways in Tripoli, Libië. Haar ouders waren aan boord en kwamen om het leven. Vanavond is ze te gast. 

Luister hier de uitzending terug.

Categorieën
Actueel Media

LINDA.nl

Marieke (32) verloor ouders door vliegramp Tripoli: ‘na 10 jaar krijgt verdriet een andere dimensie’.

Vandaag is het tien jaar geleden dat de vliegramp in Tripoli plaatsvond. Marieke Poelmann verloor op 22-jarige leeftijd haar vader en moeder.

Een decennium later geeft ze een inkijkje in haar leven en vertelt ze hoe het is om volwassen te worden zonder ouders.

Tripoli

Alleen de negenjarige Ruben overleefde de vliegramp in Tripoli, waarbij het vliegtuig neerstortte door een mislukte doorstart. Van de 103 overledenen kwamen 71 mensen uit Nederland, waaronder Adri en Peter: Mariekes ouders.

Een officiële herdenking is niet mogelijk door de coronacrisis, maar er is een mooi alternatief opgezet. Nabestaanden mogen tekeningen, briefjes en bloemen opsturen naar Stichting Vliegramp Tripoli. Zij plaatsen dit bij het monument in Nieuwegein, waar ook de namen van de slachtoffers opgelezen worden. Dit zal te volgen zijn via een videostream. Poelmann: “Het liefst zou ik ook met mijn broers en vrienden van mijn ouders naar hun graf gaan voor een eigen herdenking, maar dat is niet mogelijk. Ik vind de stream daarom een goede oplossing, de stichting geeft deze dag zo toch een mooie invulling.”

Verwerking

Nu er een decennium op zit, merkt Poelmann dat haar verdriet een transformatie heeft doorgemaakt. In het begin was alles heel scherp en voelde de pijn als een open wond. “Alles herinnerde me aan mijn ouders. Een jaar of twee na de ramp was ik dat zó zat. Ik wilde niet verdrietig zijn en overal continu aan herinnerd worden, dus vertrok ik naar New York voor een nieuwe start. Al vrij snel kwam ik erachter dat al mijn problemen gewoon meereisden, dus toen ik terugkwam begon ik met het schrijven van een boek.”

Door het schrijven van Alles om jullie heen is er nog (2015) beleefde Poelmann alles weer van begin tot eind, maar dit bleek de sleutel tot verwerking. “Op het moment dat je je ouders verliest voel je je machteloos, alle controle is weg. Je moet het er maar gewoon mee doen. Door het schrijven doorleefde ik al die ervaringen en emoties nog een keer, maar wél in mijn eigen woorden. Ik kreeg het gevoel van controle weer terug.”

Mensen die ook kampten met verlies reageerden op haar verhaal en vertelden dat ze zich getroost voelden door haar ervaringen. Poelmann: “Dat hielp ontzettend. De ramp is nooit ergens goed voor geweest, maar het verdriet en de pijn zijn daardoor minder nutteloos geworden.”

Kinderloos

De laatste vijf jaar neemt het gemis een andere vorm aan. Poelmann is eraan gewend geraakt dat haar ouders er niet meer zijn, maar de pijn raakt haar nu op een andere manier. “De laatste jaren heb ik mijn ‘grotemensenleven’ opgebouwd. Ik ben afgestudeerd, getrouwd en heb een huis gekocht. Om me heen regent het nu baby’s, iedereen start een eigen gezin. Die intentie had ik ook, maar dat is tot op heden nog niet gebeurd. Dan wordt het heel duidelijk: door het verlies van mijn ouders zit er niets vóór me, maar nu komt er misschien ook niets ná mij. Dat vind ik moeilijk. Ik sta alleen, als een generatie op zichzelf.”

De angst dat ze misschien zonder kinderen door het leven moet, maakt het gemis van haar ouders groter. “Het is confronterend om te zien hoe erg grootouders betrokken zijn bij kinderen van onze vrienden. Onze kinderwens is niet hopeloos: we krijgen medische hulp, dus misschien lukt het nog. We tellen hoe dan ook onze zegeningen, want we hebben elkaar en samen een heel fijn leven. Maar ik zou wel heel graag willen doorgeven wat ik van mijn ouders heb meegekregen.”

Blijf betrokken

Poelmanns ervaringen zijn uniek, maar omgaan met rouw en verlies is universeel.  Ze geeft daarom een advies mee aan mensen die dicht bij iemand in rouw staan: “Bij twijfel: laat altijd iets van je horen. Denk niet ‘ik vind het moeilijk, ik doe niets’, want dat is het pijnlijkst. Het is altijd beter om iets te zeggen, benoem gewoon dat je het lastig vindt. Dat is helemaal niet erg. Berichten van medeleven, op wat voor manier dan ook, bieden in zo’n periode troost.”

Wat Poelmann nog goed bij staat is dat ze berichten uit onverwachte hoek kreeg na het overlijden van haar ouders. “Kennissen stuurden mailtjes of brieven waarin ze vertelden hoe ze mijn ouders kenden. Soms met een anekdote, de andere keer deelden ze wat mijn ouders voor hen betekenden. Daardoor krijg je een stukje van je ouders terug waarvan je dacht dat het voor altijd kwijt was.”

Categorieën
Actueel Media Uitgelicht

NRC Handelsblad

Is er geen voor én geen na?

Bij de vliegramp van Tripoli, deze week tien jaar geleden, verloor Marieke Poelmann haar beide ouders. Nu was ze klaar om zelf ouder te worden. Maar misschien gebeurt dat niet.

‘Marieke, er is een vliegtuig neergestort in Tripoli. Ik denk dat papa en mama erin zaten.” Met deze woorden eindigde tien jaar geleden mijn leven als onbezorgde 22-jarige student. Samen met 69 andere Nederlanders verongelukten mijn ouders op de terugweg van een rondreis door Zuid-Afrika. De tussenstop in Libië werd iedereen fataal, op één jongetje na. Vakantiefoto’s, koffers en verhalen strandden in het woestijnzand naast de landingsbaan. 

Het eerste jaar na de ramp was een overlevingsslag, de dagen voortgestuwd door moeten in plaats van willen. Na identificatie, repatriëring, een begrafenis, een bezoek aan de rampplek en een herdenking, werd het stil. Toen begon de echte rouw, vanaf dat moment was het aan mij. 

Die eerste tijd had ik het idee dat het niet uitmaakte wat ik deed, dat ik nergens iets over te zeggen had. Vanuit de aanname dat je een speelbal van het lot bent, is het eenvoudig om weg te glijden in slachtofferschap. Dat wilde ik niet, dus koos ik ervoor te rouwen door het verdriet en de gebeurtenissen rondom de ramp actief op te zoeken. Ik gaf woorden aan mijn verdriet en schreef een boek over de nasleep van de ramp. Daarmee eigende ik mij toe wat mij was overkomen en ging ik niet langer onder het gebeurde gebukt, maar werd ik nabestaande in de letterlijke zin van het woord: ik bestond, na en met dit alles.

Door te delen wat ik had meegemaakt, werd het verlies van mijn ouders ook minder zinloos. Mensen zeiden zich te herkennen in mijn verhaal en deelden op hun beurt hun verhalen met mij. Ik leerde dat ik niet alleen was. De manier waarop ik mijn ouders verloor, is uitzonderlijk, maar de uitkomst niet: vroeg of laat krijgt bijna iedereen ermee te maken. Wat ik tien jaar geleden voor onmogelijk hield, werd werkelijkheid: het grootste gedeelte van de tijd sta ik niet meer actief stil bij hun dood. Hoewel dat niet afdoet aan het gemis, het komt nog altijd op onverwachte momenten boven.

De wieg wacht

De laatste paar jaar maakt mijn rouw een verandering door. Ik heb mijn volwassen leven op de rit gekregen zonder de hulp van mijn ouders. Ik ben getrouwd en heb een nieuw thuis gecreëerd. Ik leef met het gemis en ben het verlies te boven gekomen: de eerste maanden die voelden als tien jaar en de laatste tien jaar die ongemerkt een tijdperk vormen. Ik ben er klaar voor om van rol te wisselen: van kind naar ouder. Op zolder staat een lege wieg. Ik heb er zelf nog in gelegen. De wieg wacht, net als de kleertjes die mijn moeder voor mij bewaarde.

Wat ik op mijn 22ste al wist, wordt op mijn 32ste opnieuw duidelijk: niemand houdt de score bij hoeveel leed of verdriet je ten deel valt. Door de heftigheid van wat ik meemaakte, had ik de neiging te denken dat dit verlies mij ter compensatie op een bepaalde manier zou behoeden voor andere grote tegenslagen. 

Maar ouderloosheid is geen ticket om onder kinderloosheid uit te komen. Het een zet het ander juist zwaarder aan. Soms vraag ik me af of mijn moeder met mij mee was gegaan naar de talloze ziekenhuisbezoeken. Of ze me had geholpen bij de eerste injectie, ik haar zou bellen na weer een mislukte poging. Ik beeld me graag in dat het zo zou zijn.

„Dubbele ontworteling”, noemt fertiliteitscounselor en psychotherapeut Marja Visser het gevoel waar ik de laatste jaren mee kamp. „Je ouders verliezen gaat diep, maar als het leven na jou mogelijk ook nog stopt dan is dat dubbelop verlies – en kun je te maken krijgen met een existentiële eenzaamheid.” 

Visser vindt het logisch dat het gemis van een nog ongeboren kind de verlieservaring van overleden ouders verdiept. „Als de dreiging groter wordt dat het niet zal gaan lukken om kinderen te krijgen, ga je des te meer voelen dat je alleen staat. En dat raakt aan de pijn van het verlies van je ouders.”

Kun je dan ook rouwen om iemand die er nog niet is? Het tot nu toe uitblijven van een zwangerschap maakt het gemis van twee ouders op een nieuwe manier voelbaar. Het vertrouwen in de komst van een kind wordt op de proef gesteld door wat ik heb meegemaakt. Ik ben bang dat het verlies zich herhaalt, het is immers al een keer gebeurd. Er is niets meer vóór mij, wat als er ook niets na mij zal zijn? Dan sta ik als één generatie op een eiland in de tijd.

Een zwerm spreeuwen

„Je hangt als het ware los in je leven”, zegt Visser. Om opnieuw te wortelen, zal ik op een nieuwe manier zin en betekenis aan het leven moeten geven. Maar hoe doe je dat? 

Ik leg de kwestie voor aan socioloog Bart van Heerikhuizen. Van Heerikhuizen houdt zich onder andere bezig met de vraag of er enig soelaas bestaat tegen het idee er ooit niet meer te zijn. Hij denkt van wel. „Ik weet mij opgenomen in een zwerm spreeuwen, die was er al voordat ik er was en die zal er ook zijn na mij.” 

Hij baseert zich op een studie van de Franse socioloog Émile Durkheim (1858-1917). Die zei: „Ooit was ik er niet, maar de mensheid was er wel. Ooit zal ik er niet meer zijn, maar de mensheid zal er zijn.” Van Heerikhuizen noemt het een troostrijk idee dat we allemaal schakels zijn in een lange keten van honderdduizenden jaren aan interdependenties: we zijn altijd verbonden met anderen, in ruimte en in tijd.

Stemmen in mijn geheugen

Of ik daar troost uit kan halen – ik weet het niet zo goed. Het plaatst mijn situatie wel in een groter perspectief – en daagt me uit om verder te kijken dan de muren van mijn eigen beleving.

Marja Visser heeft een meer praktische benadering van het vraagstuk waar ik mee worstel. „Als je je ouders verliest, is de vraag: wat is de betekenis van mijn leven? Als je geen kinderen kunt krijgen, dient dezelfde vraag zich aan.” Dubbelop dus, dat vraagt bewuste aandacht: de tijd nemen om erbij stil te staan. 

Mensen om me heen, maar ook artsen, zeggen vaak: kijk naar wat er wel is en ga door. Die neiging heb ik ook, temeer daar mijn ouders er op een bepaalde manier nog wel zijn: hun stemmen in mijn geheugen voorzien me soms nog steeds van raad. En misschien lukt het nooit om kinderen te krijgen, maar ik heb de man van mijn leven aan mijn zijde. Er is niemand met wie ik liever op dit eiland in de tijd zou willen staan. Een eiland zonder voor en na, maar des te meer nu. 

Visser raadt aan de tijd te nemen. „Kijken naar wat je wel hebt is belangrijk”, zegt ze, „maar als je niet eerst naar beneden durft te gaan, naar de bodem van wat je voelt, en in plaats daarvan probeert eroverheen te springen, dan kun je vervolgens niet goed opstaan.”

Dus net als bij het verlies van mijn ouders, vraagt ook dit nieuwe grote thema in mijn leven aandacht. „Wanneer je ten volle beleeft en voelt wat er niet is, zul je natuurlijkerwijs weer oog krijgen voor wat er wel is. Je ziet het bij jonge kinderen: die vallen en schrikken van de pijn. Als daar even gezonde aandacht voor is met een kus op de zere plek, dan gaat het kind vervolgens vanzelf weer spelen.” 

Een versie van dit artikel verscheen in NRC Handelsblad van 11 mei 2020.

Categorieën
Actueel Media Uitgelicht

TEDxUtrecht

Bekijk hier de TED-talk.

In 2010 Marieke Poelmann, 22 at the time, suddenly lost her parents as a result of a plane crash. It took her several years to see that bad things in life do not necessarily have to define you. In her talk she discusses her loss and how she learned to cope with it, and as a result came out a stronger person.

Marieke Poelmann wrote a book about losing her parents in the airplane crash in Tripoli in 2010. “It took me several years to see that bad things in life don’t necessarily define you as a person. When I suddenly lost both of my parents at 22, I thought my life was over too. Finally, I realized that there is one part of them I could never loose: the part that is in me. Slowly I got back onto my own two feet, gained strength and became an adult. In this process, against all my expectations, good things started happening again. I got to be who I wanted to be. It brought me far beyond anything I had ever imagined.” Poelmann is a writer and a freelance journalist. She studied Media and Journalism at the University of Amsterdam and worked as a producer for the Dutch news and current affairs program ‘Nieuwsuur’ in New York. Currently she is writing her second book, a fiction novel.

Marieke Poelmann

Ik ben schrijver, journalist en (TEDx) spreker. In 2015 verscheen mijn debuut ‘Alles om jullie heen is er nog’ bij De Bezige Bij, over het verlies van mijn ouders bij de vliegramp in Tripoli. In 2022 bracht ik ’Een eiland in de tijd’ uit bij Prometheus: een zoektocht naar de betekenis van het leven zonder ouders en zonder kinderen, waarin de impact van vruchtbaarheidsproblemen centraal staat. 

Ik schrijf en spreek over moeilijke onderwerpen als rouw, verlies en fertiliteitsproblemen omdat ik hoop het taboe erop te doorbreken zodat anderen zich minder alleen voelen dan ik soms doe.

Daarnaast ben ik professioneel kattenliefhebber; in juni 2020 kwam mijn eerste kinderboek uit bij Kluitman. ‘Ava en het gesponnen poezenweb’ gaat over hoe katten het internet hebben uitgevonden voor hun eigen populariteit. Mijn eigen kat Lola wandelde tijdens het schrijven regelmatig over mijn toetsenbord.  

Als freelance journalist en allround tekstschrijver werk ik voor dagbladen, tijdschriften en uiteenlopende bedrijven. Als spreker ben ik te boeken via De Schrijverscentrale.

Foto: Ilja Keizer

Contact

mail@mariekepoelmann.nl

Lauriergracht 116C
1016 RR Amsterdam

Categorieën
Actueel Media

Zwaailicht

Het is 12 mei 2010 wanneer in Tripoli, Libië, een vliegtuig van Afriqiyah Airways neerstort met daarin 104 inzittenden, waaronder 71 Nederlanders. Ook de ouders van Marieke Poelmann, Peter en Adri, zitten in het vliegtuig. Op één jongen na, overleeft niemand de ramp.

In deze aflevering van Zwaailicht praat presentator Wilfred Kemp met Marieke Poelmann over die onbeschrijfelijke dag waarop ze te horen kreeg dat haar ouders allebei waren omgekomen. Ze schreef daarover het boek ‘Alles om jullie heen is er nog’. Ook goede vrienden Johan en Marian Huitema halen herinneringen op. Assalina Hamming is vrijwilliger bij Slachtofferhulp en vertelt hoe ze Marieke en haar twee broers bijstond. Hoe ga je verder na zo’n ingrijpend verlies? Tenslotte komen de familieleden en vrienden, vijf jaar later, weer samen in de Dominicanenkerk in Zwolle om Peter en Adri te herdenken.

Bekijk de uitzending hier

Categorieën
Actueel Media Uitgelicht

EenVandaag

Bekijk hier het item

Marieke Poelmann is een van de sprekers op de besloten herdenking die vandaag plaatsvindt in Nieuwegein. Ze ziet het als een enorme eer en hoopt dat ze de nabestaanden van de MH17 iets kan meegeven. De ouders van Marieke kwamen om bij de Tripoli-ramp. Nu vijf jaar later heeft zij hier een boek over geschreven: ‘Alles om jullie heen is er nog’.

De speech die zij vandaag gaat voordragen heeft ze al een tijdje af. ‘Het begin gaat ieder geval over hoe ik het nieuws over de MH17 hoorde. Daarna leg ik uit hoe ik mijn mindset veranderde in de weken/maanden na de ramp. Eerst voelde ik mij nergens meer thuis, ik had geen thuis meer, want mijn ouders waren er niet. Later veranderde dat, toen realiseerde ik dat mijn ouders toch altijd een beetje bij mij zijn. De nadruk komt te liggen op: blijf volhouden, langzaamaan gaat het steeds beter’.

Marieke ziet ook grote verschillen tussen nu en vijf jaar geleden: ‘Dit is een ramp met hele heftige politieke gevolgen. Het is veel extremer allemaal. De nabestaanden van de MH17 zijn ook een stuk opener dan de nabestaanden van de Tripoli-ramp destijds.’

In EenVandaag een gesprek met Marieke, hoe gaat zij om met het verdriet nu vijf jaar later? En wat wil zij de nabestaanden van de MH17 mee geven?

Marieke Poelmann spreekt op herdenking MH17: luister een eerder gesprek met Radio EenVandaag hier terug

Categorieën
Actueel Media

TROUW

Wat kinderen doormaken als ze hun ouders verliezen. Vliegramp bij Tripoli (2010) trof Marieke Poelmann

“Wat gebeurt er eigenlijk met mij als jullie doodgaan?” Journaliste Marieke Poelmann (1988) was nog maar een kind toen ze dit op een avond aan tafel vroeg. “We hadden onze vla bijna op. Los van het getik van lepels in bakjes was het stil aan tafel.” Haar ouders schoven wat ongemakkelijk op hun stoelen heen en weer en zelfs haar broers Boris en Sándor hielden eindelijk hun mond. “Mama en ik hebben een testament opgesteld, bij notaris Jissing. Daar staat alles in.” De kleine Marieke knikte begrijpend, alsof ze om de haverklap aktes doornam, statutenwijzigingen doorvoerde en nalatenschappen opstelde. Maar het ging haar om iets anders: “Wie zorgt er dan voor míj?”

De Poelmannen waren een doorsneegezin. Vader Poelmann werkte als belastingadviseur, moeder Poelmann-Staal was lerares van groep 4 op de basisschool van Luttenberg. Een stel dat in een mooi huis in Zwolle woonde, de maaltijd besloot met een bakje vla, en trouw ieder jaar Sinterklaas vierde met de drie kinderen.

Maar op 5 december 2010 worden de cadeautjes zonder de ouders uitgepakt. Een half jaar eerder is het echtpaar niet teruggekeerd van een groepsrondreis in Zuid-Afrika. Ze zijn verongelukt bij de vliegramp bij het Libische Tripoli. Als alle gedichten zijn voorgelezen en de surprises zijn uitgepakt, is het twintiger Marieke die opmerkt dat ze het fijn vindt ‘dat iedereen de verleiding heeft kunnen weerstaan om een vliegtuigwrak te knutselen’.

Galgenhumor als overlevingsstrategie. In het indringende ‘Alles om jullie heen is er nog. Het verhaal van een nabestaande’ is het niet de laatste keer dat Marieke Poelmann zich met een dosis zwarte spitsvondigheden door het leven probeert te slaan. Vaker laat ze zich meeslepen door haar verdriet en flirt ze zelf met de dood.

Verder lezen?