Loup

Wolf

“Als ze dat bij mij had geflikt, had ik de bench ondersteboven gekieperd, met hond en al.”
Zwijgend staan we naast elkaar, in de ren voor ons snuffelen Xara en Loup aan elkaars kont.
“Herkennen ze elkaar, als moeder en dochter?”, hoor ik mezelf vragen.
“Ja”, zegt de fokker. “Dat zie je.”

Voordat we van huis gingen, hebben we nog foto’s gemaakt. Een familieportret, met z’n drieën in de tuin. Op de mooiste foto kijkt ze zichzelf aan op het scherm. Haar tong hangt uit haar mond, onze ogen zijn op haar gericht. De andere foto is van Loup alleen, op haar plekje onder Norbert de boom. Daar lag ze graag te kauwen, al dan niet op de overblijfselen van onze planten.

Een hond, onze hond. De grote droom van de kleine jongen in Mijn Man kwam uit. We lazen boeken, keken filmpjes en vergeleken verschillende rassen. Hij of zij moest trouw zijn, leergierig en door het vuur gaan voor de baas.
“Een Duitse Herder”, zei Mijn Man. “Dat is de hond der honden, de meest hondachtige hond.”
“En ze hebben poezenoren”, voegde ik er aan toe.

Op een zomerdag in het Vondelpark stootte ik hem aan.
“Kijk, daar.”
Diep roodbruin, een beetje zwart. Beheerste stappen op stevige poten. Er naast keek een elegante dame ontspannen om zich heen. Het dier liep los tussen picknickende toeristen en spelende kinderen.
“Dit is de mooiste herder die ik ooit heb gezien”, zei ik. Eerst tegen Mijn Man, daarna tegen de vrouw.

We vonden de fokker en schreven haar aan. We hadden de tijd en de ruimte, een huis aan het strand. Het zou onze eerste worden. Ervaring hadden we niet nee. We zouden op cursus, ik werkte thuis en wilde haar goed opvoeden. Of we een reu of een teef wilden. Wat was ook alweer wat?

Vlak voor kerst kwam Loup bij ons wonen. Geboren uit een nest van 11 pups. We knuffelden en corrigeerden, leerden haar lopen aan de lijn. Ze maakte koprollen en beet van zich af. Tien keer per dag stonden we buiten, ze begreep niet goed waarom. Midden in de nacht op een regenachtig veldje, poep aan je laarzen. Elke paar uur ging de wekker. Loup joelde en piepte. Ze had diarree en bleek ziek. We gingen van dierenarts naar dierenarts. Langzaam werd het beter.

Zindelijkheid kwam inderdaad vanzelf, zolang we maar goed bleven opletten. Rustiger werd ze niet. In de bench met doeken er overheen was het advies. Doorbijten, niet zwichten voor gepiep. Buiten de bench was het rellen. Grote zus Lola werd langzaam kleiner dan zijzelf. Hondentraining aan huis hielp. Met een klikker en snoepjes stelde ik het Pavlov-effect proefondervindelijk vast. Zit, lig, poot, hier. Hier. HIER!  Ik voelde me trots als ze deed wat ik vroeg, maar zag ook dat ze dat alleen deed als het haar uitkwam.

Ze ravotte op het strand en vond elke hond leuk. Jagen achter blaadjes aan, kuilen graven in het zand. Onze hond was een zeehond. Als het stormde, stormde Loup mee. Schuimkoppen vangen en alles om zich heen vergeten. Ook mij. Zo rende ik achter haar aan in een omgekeerde wereld.

“Ze moet weg, vandaag nog”, zeiden we dit weekend tegen elkaar. We hadden het in de afgelopen maanden vaker gedacht. Steeds deden we harder ons best, steeds werd het voor even beter. Wanneer is iets genoeg? Ineens, niet zomaar. Ze had ons weer wakker geblaft, het was nieuw. Het kwam bovenop het trekken aan de lijn, het slopen van alles wat ze tegenkwam. Loup deed wat zij wilde, wanneer zij het wilde.

Toen we haar ophaalden, kon ik haar met één hand vasthouden. Ik gebruikte er twee, voor de zekerheid. Hetzelfde hek, dezelfde oprijlaan. Vier maanden later. Het gaat niet meer, het optillen en de rest.
“Misschien heb ik ze te heftig gefokt”, denkt de fokker hardop. “Wie weet is de hondensport wat voor haar.”
Ik roep haar naar me toe.
“Loup, hier!”
Onze wolf, mijn draak. Ze komt niet. De fokker pakt haar bij haar halsband en zet haar voor me neer. Nog één keer de zachte oortjes kneden, een kus op haar snoet.

Als we uit het zicht verdwijnen, hoor ik haar kort janken.

We keren terug naar huis, naar stilte in een lege bench.